dinsdag 12 juni 2012
Broedende kleine mantelmeeuwen
In het havengebied van Rotterdam zitten enkele kolonies kleine mantelmeeuwen. Om belagers weg te jagen voeren ze een luchtbombardement met uitwerpselen uit.
Buizerd ringen landgoed Duivenvoorde
Voorschoten
Onlangs zijn we weer op pad geweest om buizerden te ringen. Ditmaal op landgoed Duivenvoorde. Het nest zat 20 meter hoog in een oude beuk. Het uitzicht op nesthoogte was schitterend. Ditmaal zat er 1 mager jong in het nest. Ofwel het is een slecht jaar (1 mager jong), óf het is een goed jaar, waarbij de grotere jongen al zijn uitgevlogen. Op het nest lagen verse takjes om het nest een beetje schoon te houden tegen parasieten.
maandag 11 juni 2012
Orchideeën en motjes Meijendel
Wassenaar
In een natte duinvallei groeiden weer volop vleeskleurige orchissen en rietorchissen. Ook waren er microvlindertjes te zien.
maandag 4 juni 2012
Buizerden ringen
Klik op foto voor vergroting
Tijdens onze jaarlijkse broedvogelinventarisatie op een landgoed waren we weer op een buizerdnest gestuit. Aan de hand van de uitwerpselen onder het nest bepaalden we dat de vogels groot genoeg waren om te ringen voor onderzoek. Gisteravond was het dan zover, op dezelfde datum als vorig jaar. Het weer was donker en miezerachtig en de vraag was dan ook of het wel zou lukken. De buizerd had een groot nest hoog in de top van een slanke els gebouwd. Er waren nauwelijks takken om het klimtouw in aan te brengen; de enige bruikbare was precies onder het nest. Tijdens het klimmen ging de top heen en weer, maar de jonge buizerden bleken over een goed stel zeebenen te beschikken. Door gebrek aan hogere takken kon ik niet in het nest kijken; dan maar voelen waar de jongen zitten. De jongen werden in een tas gedaan en met behulp van het klimtouw werden de jongen naar beneden getransporteerd om geringd te worden. Nadat de gegevens genoteerd waren, werden de jongen weer terug gezet in het nest. Nog een paar weekjes en de buizerden zullen uitvliegen.
zondag 3 juni 2012
Libel vers uit het 'ei'
Onlangs stuitte ik 's avonds op een libel die aan het uitkruipen was. De larve van een libel leeft, afhankelijk van de soort, een paar maanden tot meerdere jaren in het water. Ze moet dan 9 tot 16 verschillende stadia doorlopen, voordat ze zich kan veranderen in een libel. In het laatste stadium kruipt de larve het water uit en na enige tijd probeert de jonge libel zich door een scheur op de rug van de larvehuid te worstelen. Vervolgens worden de vleugeltjes met bloed volgepompt en na een paar uur uitharden kiest ze het luchtruim.
Dwalen door de Kalkeifel
Wie er eens een weekendje lekker met de tent opuit wil om rond te struinen door de natuur en te genieten van de bijzondere kalkflora en berglandschappen, zou zeker eens de Kalkeifel moeten bezoeken. Aansluitend op de vakantie naar Bonaire ging ik met een vriend naar de Eifel om onder andere het Gillesbachtal (NSG Hundsrück) en het NSG Lamperstal te bezoeken.
Kon ik in Bonaire bijna niet in slaap komen van de hitte, de Eifel had wel gezorgd voor het andere uiterste; het vroor bijna. De hoge luchtvochtigheid drong diep de tent in en een matje, dikke slaapzak en winterkleding konden er niet voor zorgen dat ik 's ochtends vroeg stijf van de kou wakker werd. In Nederland stonden de eikebomen al volop in blad, hier moesten de knoppen nog ontspruiten. De bloemrijke graslanden lagen er nog wat kaal en dor bij, alhoewel de honderdduizenden sleutelbloemen en paardenbloemen de velden in een gele waas had gekleurd. De eerste vlindertjes vlogen al, waaronder de aardbeivlinder (Pyrgus malvae - zie foto). Ook stonden er een aantal donkergekleurde kegelmorieljes (Morchella conica - zie foto)
Dwalend door de bossen stuitten we op een bijzondere slaapmuis die haar naam eer aan deed om balancerend over dunne twijgjes een hazelaar in te klimmen; de hazelmuis (Muscardinus avellanarius). Ze zal nog wel niet zo lang uit haar winterslaap gekomen zijn, want de hazelmuis houdt wel een winterslaap van 6 maanden!
In juni staat er weer een weekendje kalkeifel gepland. Wie weet wat we dan weer tegen komen.
Kon ik in Bonaire bijna niet in slaap komen van de hitte, de Eifel had wel gezorgd voor het andere uiterste; het vroor bijna. De hoge luchtvochtigheid drong diep de tent in en een matje, dikke slaapzak en winterkleding konden er niet voor zorgen dat ik 's ochtends vroeg stijf van de kou wakker werd. In Nederland stonden de eikebomen al volop in blad, hier moesten de knoppen nog ontspruiten. De bloemrijke graslanden lagen er nog wat kaal en dor bij, alhoewel de honderdduizenden sleutelbloemen en paardenbloemen de velden in een gele waas had gekleurd. De eerste vlindertjes vlogen al, waaronder de aardbeivlinder (Pyrgus malvae - zie foto). Ook stonden er een aantal donkergekleurde kegelmorieljes (Morchella conica - zie foto)
Dwalend door de bossen stuitten we op een bijzondere slaapmuis die haar naam eer aan deed om balancerend over dunne twijgjes een hazelaar in te klimmen; de hazelmuis (Muscardinus avellanarius). Ze zal nog wel niet zo lang uit haar winterslaap gekomen zijn, want de hazelmuis houdt wel een winterslaap van 6 maanden!
In juni staat er weer een weekendje kalkeifel gepland. Wie weet wat we dan weer tegen komen.
zaterdag 2 juni 2012
Vakantie Bonaire 21 t/m 29 april 2012
Klik op foto voor vergroting
Bonaire; Kralendijk en Hamlet Oasis resort
Zaterdag 21 april was het dan zover. Met Arke Fly naar Bonaire gevlogen voor een weekje zon,
zee en avontuur. Het is altijd weer bijzonder dat als je uitstapt, je tegen een
muur van hitte oploopt en je na een paar passen niet meer verder komt zonder
dat er eerst kledingstukken in de rondte gaan vliegen. Op het vliegveld stond
een pickup klaar en ik ging op weg naar mijn studiootje in het Hamlet
Oasis-resort, even voorbij Kralendijk. Het resort lag tegen zee aan en bestond
uit bungalowtjes en studio's in een open tuin. Ook was er een kleine zwembad.
Rond het resort deden meerdere groene kolibries zich tegoed aan de
bloemen van de agaves. Naaktoogduiven zochten naar zaden op de grond en de Poinciana's stonden met hun gele en
oranje-rode bloemen te pronken. Ook West-Indische parkieten waren volop aanwezig.
Toen ik 's ochtends mijn tas pakte, kroop er een schorpioentje onder
vandaan.
Onder water
Hoewel Bonaire vergeleken met de andere ABC-eilanden relatief rustig
is, staat het eiland bekend om haar schitterende snorkel- en duiklocaties. 1
stap het helderblauwe water in en je staat tussen de koraalriffen. De gehele
westkust is goed toegankelijk.
Klein Bonaire is een 7 km2 groot eilandje voor de kust van Bonaire. Het
is een broedplaats voor zeeschildpadden en het eilandje wordt omgeven door
koraalriffen. Grotendeels gefinancierd door Nederland en het WNF kocht de
Bonaireaanse regering het eilandje op om het te behoeden tegen commerciële
explotatie. De hoop is om het eiland onder te brengen in een national park.
Vroeg in de ochtend ging ik met de watertaxi naar Klein Bonaire. Het
eilandje was begroeid met struiken en cactussen. De kust bestond uit een
gedeelte zandstrand, maar voornamelijk uit koraalstrand en scherp vulkanisch
gesteente. Ik had het in mijn hoofd gehaald om het eilandje rond te lopen, maar
het ongelijke terrein zonder paden en de verzengende hitte maakten de 10km
lange tocht bijna ondraaglijk. Op het eilandje waren enkele zoutmeertjes, waar
zilverreigers en steltlopertjes liepen te waden. Hevig verbrand keerde ik met
de watertaxi terug naar Bonaire en genoot van de overheerlijke tapas in
Kralendijk.
Zoutmeren en Lac Bay
De zuidpunt van Bonaire wordt gekenmerkt door de vele zoutmeren. Hier
wordt jaarlijks zo'n 300.000 ton zout gewonnen. Dit gebeurt via het natuurlijke
verdampingsproces. Een 55ha groot en ontoegankelijk terrein is afgeschermd van
de zoutexploitatie. Hier huist 1 van van de grootste flamingokolonies ter
wereld. In de broedtijd huizen er zo'n 15.000 flamingo's op het eiland.
Met de pick-up was het heerlijk toeren langs de stille zuidpunt. Op z'n
tijd een verkwikkende duik genomen. In de mangrovemoerassen rond Lac Bay
huisden vele vogels en rond het Lac, wat door een koraalrif door de woeste zee
wordt afgeschermd, zaten veel sterns en reigerachtigen.
Amerikaanse bonbekplevier (linksboven 2x), steenloper (boven), steltkluut (rechtsboven)
Kleine geelpootruiter (linksonder en rechts midden), regenwulp (rechtsonder)
Roodhalsreiger
Slavernij
In 1634 veroverde Nederland Bonaire van Spanje. De laatste indianen
vluchtten weg of werden gedood. Vanaf 1685 kwam de opmars van de slavernij,
vooral door de zoutwinning. Naast negers werden ook veroordeelde indianen en
andere gestraften als slaaf gebruikt.
In 1837 werden er 1,5 meter hoge slavenhuisjes gebouwd. Hier sliepen zo'n 5 personen in. Aan het
einde van de week hadden de slaven vrijaf en liepen zo'n 6 uur naar Rincon, waar
hun gezinnen woonden. Werken in de zoutwinning was voor de 500 slaven niet
alleen erg inspannend, ook werden velen blind door de weerkaatsing van de felle
zon op het 'witte goud' en moest men werken in de brandende zon. Daarnaast beet
het zout diep in handen en voeten. Vanaf 1821 mochten er geen slaven meer
worden verhandeld en de slavernij werd in 1863 afgeschaft.
Woeste westkust
Liggen aan de oostkust de meeste resorts, de westkust is nagenoeg woest en onbegaanbaar. Hier en daar staan huizen met een cactushekwerk. Onverharde paden waaieren tussen de cactussen uiteen om in de knoek (wildernis) te verdwijnen. Ik ben dan ook meerdere keren met de pick-up verdwaald en off the road geweest. Door de harde passaatwind beukt de zee hard tegen het vulkanisch gesteente van de kust. Op de kust heeft het klotsende water en de waterdruppels het gesteente tot messcherpe puntjes uitgesleten.
De stille noordoostkust
De meeste toeristenresorts liggen langs de oostkust rond Kralendijk.
Verder naar het noordoosten loopt een oud weggetje over de rotskust naar Lac
Goto en Rincon. Het is hier stil en verlaten en op enkele snorkelsites na is
het gebied ontoegankelijk door de dichte struikenvegetatie met boomcactussen.
Met een zaklantaarn een grot in geklauterd. Het gangenstelsel was hier en daar
nauw en had verraderlijke gaten naar dieper gelegen gangen. De stenen bodem
maakte plaats voor een soort humusrijke, stinkende laag. Deze was afkomstig van
de vele vleermuizen die hier bivakkeerden.
Washington Slagbaai nationaal park
De noordoostelijke punt van Bonaire wordt ingenomen door het Nationaal
Park Washington Slagbaai. Het park is 60km2 groot en door de schrale bodem en
het gebrek aan neerslag is het terrein grotendeels woestijnachtig, waar immense
kandelaarscactussen groeien die wel 12 meter hoog zijn.
Toch huizen er
veel vogels. Vooral rond de zoutmeren en de kleine waterbronnetjes. Bijzondere
elementen in het gebied zijn o.a. blowholes (spuitgaten), snorkelsites,
zoutmeer Slagbaai en een trail naar de hoogste top van Bonaire; de Brandaris
(241m)
Klim naar top van Bonaire; Brandaris
Bonairiaanse renhagedis
Lora
De Lora of geelvleugelamazone is de enige papegaaiensoort die van
nature (en vrijwel alleen) op Bonaire voorkomt. Vroeger kwamen ze ook op Aruba
voor, maar daar zijn ze uitgeroeid. De populatie op Bonaire wordt op ongeveer
300 vogels geschat. Stropers halen nog steeds hun nesten leeg, omdat de boete
wanneer ze gepakt worden lager is dan de opbrengst van een verkochte vogel.
Een caracara zocht voedsel tussen de struiken rond de waterbron put
Bronswinkel. Ik ging op een grote steen zitten om stabiel te kunnen
fotograferen. Een grote leguaan kroop half op mijn schoot; dit was zíjn
uitkijkpunt. Ik had de leguaan vriendelijk doch duidelijk verzocht een andere
plek uit te kiezen.
Tot slot
Caracara
Het weekje Bonaire was voorbij gevlogen. Hoewel maagdeneiland St. John
meer variatie in natuur heeft (trails, nevelwoud, mooiere mangroves, stranden
en koraalriffen en woestijnlandschap), is Bonaire zeker de moeite waard. Het
mooie Slagbaai nationaalpark, de schitterende onderwaterwereld, de zoutmeren en
de rust die er heerst.., de kleine terrasjes met heerlijke gerechten en het
feit dat het een rechtstreekse vlucht is vanaf Nederland, maakt het een fijne
vakantiebestemming.
maandag 16 april 2012
Spindotters in de Rhoonse Grienden
Klik op foto voor vergroting
De Rhoonse Grienden liggen er weer geel gekleurd bij. Langs de kreekjes, slootjes en tussen de duizenden knotwilgen in dit getijdegebied groeien volop Spindotterbloemen (Caltha palustris subsp. araneosa). Spindotters hebben zich aangepast aan de getijdewerking. De gewone dotterbloem vermeerdert zich door zaad. De zaden van de spindotter worden echter grotendeels weggespoeld door de eb- en vloedwerking van het water. Zij heeft zich aangepast doordat deze forsere plant geknikte stengels heeft waarbij in de oude bladoksels nieuwe blaadjes en wortels ontstaan.Wanneer de oude stengels verteren, blijven de jonge plantjes behouden en worden deze meegevoerd door het water. Zo kan ze zich op nieuwe plekken vestigen.
De Rhoonse Grienden is een complex van wilgenakkers in de buurt van Rotterdam en Barendrecht. De gegraven slootjes en greppels in het gebied lopen door de getijdewerking van de rivier dagelijks onder water. Dijkjes om de akkers heen zorgen ervoor dat het water met vloed de akkers kan bereiken, maar met eb een dun laagje voedselrijk slip achterlaat in het gebied, waardoor de wilgen snel kunnen groeien.
De wilgen in de Rhoonse Grienden worden elke 3 jaar gehakt. Het hout wat vrijkomt wordt onder andere gebruikt voor zinkstukken (matten waarover meestal basalt wordt gestort ter verdediging van oevers) en als voedsel voor olifanten.
Locatie:
Oude Maaspad, 3161 Rhoon, Nederland
dinsdag 10 april 2012
De Vos - Vulpes vulpes
Het LOP werkt dagelijks op landgoederen en in natuurgebieden. In dit soort gebieden komt de vos geregeld voor. Meestal zijn er alleen aanwijzingen zichtbaar dat er een vos aanwezig is; er zijn dan uitwerpselen of prooiresten te vinden. Soms laat de vos zich echter ook zelf zien.
De vos (Vulpes vulpes) is één van de grootste roofdieren van West Europa en behoort tot de hondachtigen. Op IJsland na komt de vos in heel Europa voor. Ook is de vos in Azië, Noord Amerika en in Noord Afrika te vinden. In Australië is hij ingevoerd. Het leefgebied van een vos (territorium) kan zo’n 12 km2 groot zijn. Hierbinnen zoekt hij zijn voedsel (kleine zoogdieren, vogels, insecten en bessen) en brengt hij zijn jongen groot. Het territorium wordt met geursporen op duidelijk zichtbare en ruikbare plaatsen gemarkeerd. Dit gebeurt door urine en uitwerpselen maar ook de voetzolen laten op de grond een geurspoor achter.
Vossen zijn voornamelijk in de schemering en ’s nachts actief. Buiten de paartijd leeft de vos meestal alleen (solitair), maar binnen de paartijd en ten tijde van de jongen leven vossen meestal in een groepsverband van zo’n 6 dieren. Hierbij is er 1 dominant mannetje (rekel) en een dominant vrouwtje (moer). De rest zijn vrouwtjesvossen die niet dominant zijn. In het voorjaar worden 4 tot 6 jongen geboren.
Vossen graven zelf een hol (burcht) of vergraven een oud konijnenhol of dassenburcht. Deze bevindt zich vaak tussen wortels of onder een omgevallen boom en heeft zo’n 2 tot 4 ingangen.
woensdag 14 maart 2012
Lenteklokjes in bloei
Onlangs ben ik terug geweest naar een landgoed in Dordrecht, waar we een aantal jaar geleden vele stinzenbolletjes hebben aangeplant. 1 van de bolgewassen was het lenteklokje; Leucojum vernum.
Het was erg moeilijk om aan deze originele wilde soort te komen en de kweker liet ze dan ook overkomen uit het Oostblok. Er werd ons afgeraden om deze soort aan te planten, omdat het lenteklokje moeilijk aan zou slaan en moeizaam tot bloei zou komen. Ook mochten de bollen tijdens transport niet uitdrogen en moesten ze direct worden aangeplant. We hadden dan ook het aantal lenteklokjes naar beneden bijgesteld en in 2008 gingen er zo'n 2000 de grond in. De lenteklokjes zijn echter prima tot bloei gekomen en er waren ook vele kimeplantjes te zien. Nu maar hopen dat deze soort zich eeuwen op het landgoed thuisvoelt en kan handhaven.
Lenteklokje – Leucojum vernum
Het lenteklokje, met haar witte kroonblaadjes en een groen puntje, laat al in februari haar eerste bloemen zien. Ze is moeilijk te kweken en stelt hoge eisen aan de grond. Ze geeft de voorkeur aan een voedselrijke, humeuze leem- of kleigrond. In Nederland werd ze voor het eerst in 1835 aangetroffen. Ze had waarschijnlijk 1 natuurlijke groeiplaats in Twente, maar ze is daar sinds 1916 niet meer aangetroffen. Wel komt ze op een aantal landgoederen in Nederland voor, als stinzenplant. Oorspronkelijk komt het lenteklokje uit berggebieden van Midden Europa.
Het was erg moeilijk om aan deze originele wilde soort te komen en de kweker liet ze dan ook overkomen uit het Oostblok. Er werd ons afgeraden om deze soort aan te planten, omdat het lenteklokje moeilijk aan zou slaan en moeizaam tot bloei zou komen. Ook mochten de bollen tijdens transport niet uitdrogen en moesten ze direct worden aangeplant. We hadden dan ook het aantal lenteklokjes naar beneden bijgesteld en in 2008 gingen er zo'n 2000 de grond in. De lenteklokjes zijn echter prima tot bloei gekomen en er waren ook vele kimeplantjes te zien. Nu maar hopen dat deze soort zich eeuwen op het landgoed thuisvoelt en kan handhaven.
Lenteklokje – Leucojum vernum
Het lenteklokje, met haar witte kroonblaadjes en een groen puntje, laat al in februari haar eerste bloemen zien. Ze is moeilijk te kweken en stelt hoge eisen aan de grond. Ze geeft de voorkeur aan een voedselrijke, humeuze leem- of kleigrond. In Nederland werd ze voor het eerst in 1835 aangetroffen. Ze had waarschijnlijk 1 natuurlijke groeiplaats in Twente, maar ze is daar sinds 1916 niet meer aangetroffen. Wel komt ze op een aantal landgoederen in Nederland voor, als stinzenplant. Oorspronkelijk komt het lenteklokje uit berggebieden van Midden Europa.
Abonneren op:
Posts (Atom)


























